Felle woorden over politiebeleid en islam zorgen voor verhitte confrontatie in commissieoverleg
Felle woorden over politiebeleid en islam zorgen voor verhitte confrontatie in commissieoverleg

Het commissieoverleg over de politie veranderde in een van de meest verhitte debatten van de dag toen PVV-Kamerlid Marjolein Faber frontaal de aanval opende op het huidige politiebeleid, de rol van burgemeesters en de manier waarop volgens haar de politie steeds vaker wordt gehinderd door politieke correctheid. Haar bijdrage leidde tot een directe botsing met DENK-Kamerlid Stephan van Baarle (in het debat aangesproken als El Abassi), waarna de discussie verschoof van openbare orde naar een veel bredere discussie over de islam, neutraliteit van de overheid en de positie van de politie.

Faber begon haar betoog met stevige kritiek op de veiligheidssituatie op straat. Volgens haar worden politieagenten steeds vaker uitgescholden, bedreigd en zelfs aangevallen. Zij verwees naar incidenten waarbij agenten tijdens een arrestatie in Utrecht werden bekogeld met stenen en sprak over beelden van “vluchtende agenten” die volgens haar een gevaarlijk signaal afgeven aan de samenleving.
Volgens Faber ontstaat hierdoor het beeld dat bepaalde wijken steeds moeilijker te handhaven zijn en waarschuwde zij voor situaties waarin het gezag van de politie verder afbrokkelt. Zij legde de schuld daarvoor niet bij de agenten zelf, maar bij de politieke leiding die volgens haar voortdurend inzet op de-escalatie, waardoor politiemensen onvoldoende ruimte krijgen om krachtig op te treden.

Ook het optreden van burgemeester Sharon Dijksma kwam uitgebreid aan bod. Faber stelde vragen over uitlatingen die de burgemeester deed na een politieoptreden en vroeg zich af of daarmee niet vooruitgelopen werd op een lopend onderzoek. Daarnaast wilde zij weten welke verantwoordelijkheid de korpschef heeft wanneer lokale bestuurders zich publiekelijk uitspreken over politieoptreden.
Vervolgens richtte de PVV-politica haar pijlen op wat zij omschreef als de “politieke correctheid” binnen de politieorganisatie. Zij bekritiseerde het gebruik van de zogenoemde selectiepaal bij preventieve controles in Amsterdam, een hulpmiddel dat volgens haar juist symbool staat voor de angst om beschuldigd te worden van etnisch profileren.
Volgens Faber wordt de politie hierdoor niet sterker maar juist ongeloofwaardig gemaakt. Ze stelde dat agenten op straat het slachtoffer worden van bestuurlijke keuzes die vooral bedoeld zijn om politieke discussies te vermijden.
Ook het debat over religieuze uitingen door buitengewoon opsporingsambtenaren kwam aan bod. Faber herhaalde dat boa’s volgens haar een neutrale uitstraling moeten hebben en vroeg waarom een eerder voorbereid verbod op zichtbare religieuze uitingen nog altijd niet in werking is getreden.
Daar bleef het niet bij. De PVV uitte eveneens zorgen over de handhaving tijdens de jaarwisseling. Volgens Faber wordt de vuurwerktraditie steeds vaker overschaduwd door geweld en vernielingen, terwijl politie en boa’s volgens haar kampen met een tekort aan capaciteit. Zij wees op signalen dat opleidingen voor boa’s volledig vol zouden zitten, waardoor veel boa’s in de toekomst mogelijk hun bevoegdheden verliezen als daar geen oplossing voor komt.
Daarnaast bekritiseerde zij de samenwerking binnen de lokale driehoek van burgemeester, politie en Openbaar Ministerie. Volgens haar leiden verschillende opvattingen over proportioneel optreden tot onzekerheid op straat, waardoor de slagkracht van de politie afneemt.
Een ander punt van kritiek was de houding van burgemeester Femke Halsema rondom experimenten met zwaardere middelen voor de Mobiele Eenheid. Volgens Faber straalt het bestuur te weinig daadkracht uit en wordt er te vaak gekozen voor terughoudendheid.
De spanning liep echter pas echt op toen Faber sprak over politieagenten die koffie schonken aan biddende moslims op straat. Volgens haar wekt dat de indruk van onderdanigheid, terwijl de politie juist moet handhaven.
Die opmerking leidde onmiddellijk tot een interruptie vanuit DENK.
Van Baarle vroeg wat er volgens de PVV precies mis is met het leggen van contact tussen politie en moslims op straat. Volgens hem hoort verbinding met alle groepen in de samenleving juist bij modern politiewerk.
Faber antwoordde dat haar kritiek specifiek gericht was op situaties waarin volgens haar groepen bewust provoceren door op straat te bidden. De politie moet volgens haar niet deelnemen aan dergelijke situaties, maar zich richten op handhaving.
Daarop stelde Van Baarle dat de PVV met twee maten meet. Hij wees erop dat er ook talloze beelden bestaan van agenten die deelnemen aan religieuze bijeenkomsten in kerken of aanwezig zijn bij Joodse vieringen zoals Chanoeka. Volgens hem heeft de PVV daar nooit bezwaar tegen gemaakt.
Volgens Van Baarle laat dit zien dat de kritiek van de PVV zich uitsluitend richt op de islam. Hij stelde dat de politie juist verbinding moet zoeken met alle religieuze en maatschappelijke groepen en verweet de PVV hypocrisie.
Faber reageerde vervolgens met een uitspraak die direct de aandacht trok.
Zij verklaarde dat de PVV inderdaad fundamentele bezwaren heeft tegen de islam als ideologie. Tegelijkertijd benadrukte zij dat haar partij volgens haar onderscheid maakt tussen de islam als religie en individuele moslims.
Volgens Faber is de PVV juist opgericht vanuit die overtuiging en zal de partij zich blijven verzetten tegen de invloed van de islam in Nederland.
Die uitspraak zorgde opnieuw voor reacties vanuit de commissie.
Een ander Kamerlid verklaarde trots te zijn op burgemeesters die volgens haar opkomen voor de Grondwet, de rechtsstaat en alle inwoners, ongeacht afkomst of geloof. Daarmee werd opnieuw afstand genomen van de woorden van de PVV.
Het debat maakte duidelijk hoe groot de politieke verschillen zijn over de rol van de politie, de verhouding tussen neutraliteit en verbinding met verschillende bevolkingsgroepen en de plaats van religie in de publieke ruimte.
Waar de PVV pleit voor een veel hardere lijn en minder ruimte voor wat zij politieke correctheid noemt, benadrukken andere partijen juist het belang van gelijke behandeling, de rechtsstaat en het onderhouden van contact met alle gemeenschappen.
Door de uitgesproken standpunten en de directe confrontaties groeide het overleg uit tot een van de meest beladen commissiedebatten over politiebeleid van de afgelopen periode.








